Skip to main content

Historie Maaskant

 

 


De historie van de Maaskant

Maasland
De naam Maaskant wordt vaak verward of vereenzelvigd met Maasland. Dit is echter niet hetzelfde! Maasland wordt tegenwoordig vaak gebruikt als alternatief voor de Westelijke Mijnstreek. De naam is rekbaar. Soms rekent men ook hier de Belgische Maasvallei toe of zelfs een nog groter gebied. De naam Maasland is een verwijzing naar het vroeg middeleeuwse Maselant (de Maasgouw). Dit was een oud graafschap waar onze streek toe behoorde en waarvan de grenzen nooit zijn vastgesteld. Men vermoedt dat grote delen van Nederlands- en Belgisch Limburg ertoe behoord hebben. Het is echter nooit een streeknaam in onze regio geweest.

De Maasvallei vanaf de hoogten bij Elsloo met op de achtergrond de Kempen.

Maaskant / Maaskentj
Wat wel altijd in de volksmond heeft bestaan is de naam Maaskant, in het dialect  de Maaskentj. Toen het dekenaat Susteren nog bij het bisdom Luik hoorde, werd een onderdeel hiervan “de Maaskant” genoemd (langs de Maas van Grevenbicht zuidwaarts tot en met Elsloo). De naam komt waarschijnlijk van een typisch Limburgse zegswijze. Limburgers spreken namelijk niet in termen als ten noorden van, ten oosten van, in de buurt van etc. wanneer men de ligging van een plaats of gebied wil aanduiden maar spreken van “aan de kanten van….” (meestal een hoofdplaats). “ Zo duidt men in het noordelijk deel van Zuid- Limburg de Maasdorpen aan met “aan de kanten van de Maas” kortweg “Maaskant in het dialect Maaskentj.
Bijvoorbeeld: “aan de kentje van Sittard haet ut nut gedaon” (in de omgeving van Sittard was er een zwaar onweer) of “dae kump van de kentje van Mestreech”, die is afkomstig uit de omgeving van Maastricht.
De naam Maaskant is overigens niet uniek voor onze streek. Letterlijk betekent Maaskant namelijk ook Maasoever. Maaskant wordt voor diverse streken langs de Maas gebruikt van Eijsden tot Hoek van Holland. Als wij over de Maaskant praten bedoelen we  de dorpen langs de rivier de Maas vanaf Elsloo tot en met Roosteren. Er is echter maar één Maaskentj, namelijk: van Obbicht tot Elsloo.
Aan de andere kant van de Maas zijn de Belgische dorpen het spiegelbeeld van de Nederlandse dorpen. Ingeklemd tussen de Kempen aan de Maas waren ook zij op de Maas en de dorpen aan deze zijde georiënteerd. Ook zijn de mensen in deze dorpen door dezelfde historische rampen zoals oorlogen, overstromingen en economische crises gehard. Ook aan de Belgische kant wordt de streek “de Maaskant” genoemd. Opgemerkt dat de naam “Maasland” al heel lang in gebruik is voor de hele streek aan weerszijden van de Maas tussen Maastricht en Thorn. Beide Maaskanten vormden feitelijk eeuwenlang een culturele eenheid.


Begrenzing dialectgebied
Onder andere op basis van het dialect kan men de streek onderverdelen in een noordelijk en zuidelijk gedeelte. Het zuidelijk gedeelte loopt van Catsop tot en met Obbicht. (waarbij men Catsop en Obbicht als overgangsgebieden moet beschouwen) . Het noordelijk vanaf Obbicht tot en met Roosteren. In het zuidelijk gedeelte vindt men een gelijkluidend dialect, waarbij de uitspraak van de a-klank het meest naar voren springt, deze wordt als als – e– uitgesproken. Het bekende rijmpje: “Aan de kentj van ’t lendj, steit ein menjel mit sendj” illustreert dit. In andere dorpen uit de Maaskant, nog geen drie kilometer, spreekt men de – a - uit. “Aan de kantj van ut landj stjeit ein mangel mit sandj”. Ook de “r” rolt stevig in de dorpen, doch dat gebeurt ook noordelijker. Het is echter niet alleen het dialect maar zeker ook de mentaliteit, het karakter en de gebruiken wat de Maaskanters onderscheidt van anderen. Men kan zich afvragen hoe deze verschillen in zo’n klein gebied zijn te verklaren. Het antwoord ligt opgesloten en de gemeenschappelijk sociale en in economische ontwikkeling, die anders is dan de dorpen die de Maaskant omringen. Ook de oriëntatie op De Maasvallei (beide oevers) speelt hierin een grote rol.


Graetheide en Swentibold
Tussen Beek en Born, de Maas en Sittard ligt een vlakte welke het Graetheideplateau wordt genoemd. Deze heide is ooit het Graetbos geweest.  Het is dit bos c.q. heide welke, volgens een oude legende, in de negende eeuw door Koning Swentibold (of Sanderbout) zou zijn geschonken aan de omringende dorpen. Elsloo, Beek en Stein behoorden tot deze dorpen. Het gebied werd dus niet in stukken verdeeld maar gemeenschappelijk bezit van de inwoners van de heide omringende dorpen. Aanvankelijk beheerden de op de heide gerechtigde dorpen het gebied in gezamenlijk overleg. In de loop van de tijd ging men echter over tot het afpalen van afzonderlijke gebieden. Ieder dorp kreeg zo zijn eigen heidegebied en beheerde dat. De heide als geheel bleef echter gemeenschappelijk bezit van alle dorpen. Dat betekende onder andere ook dat men niet zonder overleg met de andere dorpen mocht ontginnen.
Door de beperkingen op ontginning, bleef tussen de Maas en de heide slechts een relatief smalle strook landbouwgrond ter beschikking. Hierbij moet men ook niet vergeten dat men voor de productie van gewassen veel grotere oppervlaktes nodig had dan nu. In de Maasvallei zelf hadden de gronden ook nog te lijden van afkalving door de Maas.

De Maaskant 1775

Ligging
Men kan het zich nu moeilijk voorstellen , maar eens vormde de Graetheide één grote vlakte tussen de Maaskant en Sittard, Born en Beek. De zuidgrens (landweer) kwam vanaf Krawinkel en sloot in de buurt van de huidige overweg Beek-Elsloo aan op de westgrens, welke vanaf hier midden door het huidige Elsloo liep om vervolgens de wallen van Stein te volgen. Tussen Stein en Urmond vormde de heide een wig tot aan de rand van de Maasvallei. Ten oosten van Urmond, Berg en Obbicht, volgde de grens ongeveer de Oude Postbaan om achter Obbicht af te buigen naar Guttecoven. Deze grens handhaafde zich tot ver in de achttiende eeuw. De Graetheide omsloot als het ware de Maaskant en isoleerde de streek van de overige dorpen in Nederlands Limburg.

Veerponten
De dorpen aan Maaskant waren, door hun ligging, onderling en op de dorpen aan de overzijde van de Maas georiënteerd. Voor hen was de grens tot aan de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), toen de Duitsers bezet België met een onder stroom staande prikkeldraad omgaven, slechts een formaliteit. Voor het leggen van sociale contacten was de Maas in het geheel geen belemmering, dit in tegenstelling tot de uitgestrekte Graetheide. Vanaf Elsloo tot en met Obbicht lagen er voor de Eerste Wereldoorlog op de Maas maar liefs zeven overzetveren die allen rendeerden. Van deze veren waren er twee grote veren (Elsloo en Berg) ten behoeve van het verkeer "per as" (op -karren-wielen) tussen België en Duitsland. In het begin van de Tweede Wereldoorlog is het  grote veer van Elsloo naar Berg aan de Maas overgebracht, omdat het grote veer in Berg in onbruik was geraakt. In Elsloo is toen een voetveer gebleven tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het is derhalve niet verwonderlijk dat menige Maaskantse stamboom met zijn wortels op beide Maasoevers staat.

Vroeger (vóór 1925), voor de aanleg van het Julianakanaal, was de Maas op zondag een trekpleister voor de mensen tot in Beek en Geleen toe. Als uitje fietste of wandelde men met de kinderen naar de Maas in Elsloo en maakte men graag gebruik van het veer om op de andere oever een pint te drinken. Er waren overigens ook genoeg Maaskanters die daarvoor niet tot zondag wachten. In de jaren twintig was het bier in België de helft goedkoper dan in Nederland, daarbij mocht men daar zondags muziek maken in cafés, wat hier niet mocht. Dat lokte natuurlijk menige jonge Maaskanter de rivier over.


Veer bij Berg aan de Maas

 

Landbouwgronden
De Graetheide was tot de definitieve, turbulente, verdeling in de negentiende eeuw in het bezit van de veertien de heide omringende dorpen. Dit had het gevolg dat men de heide niet zomaar mocht ontginnen. Het te ontginnen areaal diende in gezamenlijk overleg tussen de rechthebbende dorpen bepaald te worden. Al zou men mogen, dan nog kon men niet onbeperkt de heide ontginnen. Men had de heide nodig als weidegebied voor schapen en runderen in verband met de mestproductie. Kunstmest kende men niet en er was een verhouding tussen de beschikbaarheid van dierlijke mest en de oppervlakte land wat men kon bewerken. Wanneer weet men niet precies, maar men vermoed in de veertiende eeuw, dat men de grens tussen de heide en de bouwlanden duidelijk ging afbakenen. Men groef greppels en met de vrijgekomen grond maakten men een wal langs de greppel. Hierop werden dichte doornheggen geplant. Soms bestond de landweer of heigraaf uit een dubbel gracht en wal. De landweer diende tevens als een duidelijke grens tussen de akkers en de heide en van de gemeenschap.  De wallen van Stein zijn hier een restant van.


Hofsteden
Door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden van de landbouwgronden werden de agrarische bedrijven door opsplitsing steeds kleiner. Ook waren er geen gronden ter beschikking om na ontginning uitgebaat te worden door grote boerderijen van adel of kloosters, de hofsteden. Deze hofsteden waren in de strikt agrarische gemeenschappen elders in Limburg de werkgevers voor de kleine boeren, die niet alleen van hun bedrijfje konden bestaan. In de Maaskant waren er per dorp maar enkele boerderijen die groot genoeg waren om knechten in dienst te nemen. De grond in Stein was enorm versnipperd. Het grootste gedeelte van de kleine boeren van Stein bezat minder dan een hectare. Men kan zich afvragen of het boeren waren met een bijverdienste of arbeiders met een boerderijtje.

De Maasvallei bij Urmond


Euregio
Echter door de opsplitsing tussen twee verschillende staten (in 1839 België en Nederland) en ontwikkeling van  gescheiden mijngebieden waren beide streken toch langzaam aan uit elkaar gegroeid. Het is lang een probleem geweest dat de staatkundige grenzen niet meer overeen kwamen met de culturele grenzen. Het is frappant om te constateren dat binnen Europa door het wegvallen van de grenzen de oude regio’s zich weer hervinden en nauw gaan samenwerken. Een voorbeeld is ons eigen gebied dat opnieuw steeds meer een geheel gaat vormen met de aangrenzende regio’s in België en Duitsland. Waren ze voorheen in hun eigen land afgelegen grensgebieden, nu vormen ze weer samen de steeds groter en sterker wordende Maas / Rijnregio oftewel de Euregio. Limburg plukt daarvan de vruchten door de economische wisselwerking binnen de Euregio, zoals het toerisme en uitbreiding van de woon- werkmogelijkheden.
Ook onze Maaskant wordt steeds minder een grensgebied maar een centraal onderdeel van de grote Maas / Rijnregio waarin de regio’s elkaar versterken. Net zoals het eeuwenlang tot aan de Eerste Wereldoorlog het geval was. De geschiedenis herhaalt zich op dit punt.
Lag Limburg vroeger op een snijpunt van de grote handelsroutes van oost naar west (Keulen-Vlaanderen) en noord-zuid ( Luik - Dordrecht). Nu ligt Limburg weer op het zelfde snijpunt maar nu van de autoweg Keulen Antwerpen, de A76 en de autoweg Genua Amsterdam, de A2. “bie oos in de hei” op het kruispunt Kerensheide kruisen beide wegen. Ook op dit punt herhaalt de geschiedenis zich. De jongste ontwikkelingen op toeristisch gebied (fietstoerisme), het slechten van de grenzen waardoor wonen en werken vermengd raken, de komst van de Euro etc. maar zeker ook de wil van de bewoners om opnieuw contact te zoeken en te onderhouden, maken dat de beide Maasstreken weer sterk tot naar elkaar toe groeien. Eeuwenoude banden worden in dit proces hersteld.

Maasvallei tussen Boorsem en Elsloo


Zeer oude historie
De Maaskantdorpen liggen zowel op de linker als op de rechteroever van de rivier in de Maasvallei. De dorpen op de rechteroever zijn echter in situering uniek. Zowel Elsloo, Stein, Urmond en Berg  liggen namelijk, boven de overstromingsgrens, op en in de rand van de Maasvallei. Hier is de rand ca 25 meter en vormt het raakpunt van het Graetheideplateau met de Maasvallei. Ze liggen perfect voor de vroege landbouw. Voor hun lag het dal met sterke bronnen, hooilanden, jachtgebied en weidegronden, achter hun vlakke vruchtbare velden met lössgronden en dichte bossen eveneens voor de jacht, het hoeden van varkens en vee en als leverancier van gebruikshout.

Reeds de eerste landbouwers in West Europa, de Bandkeramiekers (5300 voor Chr.) onderkenden deze gunstige ligging en vestigden zich op de plaatsen waar nu nog de dorpen liggen. Na hun kwamen opvolgende volkeren om dezelfde reden en tenslotte de Romeinen. De Romeinen treft hier een bevolking aan welke waarschijnlijk Kelten waren en behoorden tot de Eburonen. In Stein hadden deze zelfs een hoogtevesting. De Eburonen komen echter in opstand onder hun leider Ambiorix en worden door de Romeinen verslagen en uitgeroeid. De streek wordt door de overheersers herbevolkt met Scuni, germanen, welke op de Scharberg in Elsloo een nederzetting hadden en bij het Hoge Bos een begraafplaats.
In de haven van Stein zijn gebouwen, waaronder een Romeinse villa opgegraven alsmede enkele fraaie Romeinse askisten. In en rond de hele Maasvallei worden overigens sporen van gebouwen en bewoning in de Romeinse tijd aangetroffen, een teken dat onze streek toen druk bezocht was. Niet vreemd overigens gezien het belang van de Maas als handelsweg en de Grote Romeinse weg tussen Maastricht en Nijmegen op de linkeroever.


De Franken
Vanaf de Romeinse tijd raken onze streken bevolkt door groepen Franken die in de Maasvallei en zijdalen hun dorpen bouwen. Langs de Maas en in de beekdalen van Geleen, Geul, Gulp en zijdalen is dan alleen bewoning. Het Romeinse cultuurlandschap raakt weer grotendeels bebost. Tot rond het jaar 1200 zal de omvang van de dorpen zeer beperkt en de omringende velden en wegen onveranderd  blijven. De woeste gebieden zijn dan uitgestrekt en aaneengesloten, de dorpen zijn eilandjes in deze groene zee. De oudste begrenzing stond in verhouding met de zeer beperkte omvang van de dorpjes en omsloot een beperkt landbouwgebied dat diende voor de teelt voor gewassen voor eigen gebruik. De huidige dorpen langs de Maas zijn door de binnenvallende Germaanse Franken, onze directe voorouders,  ook volgens Frankisch model gebouwd.  Dat wil zeggen, parallel aan de rivier als langgerekte lintdorpen. Later zullen deze dorpen zich langs de veedriften verder ontwikkelen.  Daarna volgen uitbreidingen van zowel bevolking als akker en weidegronden.  Inmiddels verschijnen de Vikingen in de Maasvallei, het gevolg is afbrokkelend gezag, de noodzaak tot het bouwen van kastelen en onvermijdelijk de opkomst van zelfstandige kasteelheren. Ten tijde van de bloei van de Maasvaart vestigen zich diverse vrije schippers in Elsloo en Urmond  langs de Maas en brengen hier welvaart. De streek wordt steeds verder ontgonnen en uiteindelijk zal een landschap ontstaan dat tot het begin van de 20e eeuw nauwelijks nog zal veranderen.

Kasteel Stein


De mijngeschiedenis
Na 1650 (na de tachtig-jarige oorlog) treed er een verarming op die niet meer te keren is. Dit o.a door de achteruitgang van de welvaart in de Zuidelijke Nederlanden als gevolg van de afscheiding en het verloop van de Maashandel ten gunste van de wegen in verband met de hoge  tolgelden. Maar ook door de bevolkingsgroei die niet door de landbouw als bestaansmiddel  opgevangen kan worden.
De Maaskanters moeten steeds nieuwe wegen zoeken om te overleven. Uiteindelijk worden ze brikkebakkers in Duitsland en daarna mijnwerkers. Deze toestand zal zich vervolgens handhaven tot de opening in 1926 van de Staatsmijn Maurits in Geleen (gebouwd op de Graetheide) en pas geheel na de tweede oorlog worden ingevuld tot het huidige verstedelijkt gebied. De mijnperiode maakte echter dat de uitbreiding van de oude dorpen in de richting van de mijn ging, dus oostwaarts in het voormalig heidegebied. Inmiddels is de Graetheide uitgegroeid tot de smidse van Limburg. Weliswaar nemen woonwijken, het chemische complex van DSM en SABIC alsmede kruispunt Kerensheide met aansluitende autowegen een groot deel van het gebied in beslag, maar dit is een vertekend beeld want de streek kent nog steeds een historische en groene kant.

De staatsmijn Maurits in volle glorie

De oude verstilde kernen en de Maasvallei zijn onaangeroerd gebleven als een herinnering aan het verleden. Tot in onze tijd blijft de (inmiddels gerestaureerde en beschermde) schoonheid van de oude historische kernen zowel inwoners en bezoekers bekoren. Net als het weidse landschap met zijn bossen, vergezichten en natuurrijke Grensmaas.

Het oude Maasstadje Urmond